Om te begrijpen hoe modelleren werkt, moet er onderscheid worden gemaakt tussen leren en uitvoeren. Of de persoon het aangeleerde gedrag daadwerkelijk uitvoert, hangt echter af van de consequenties op het moment van uitvoering.
Bandura (1965) demonstreerde dit onderscheid tussen leren en uitvoeren met zijn klassieke Bobo-popstudie. Een Bobo-pop is een levensgrote, opblaasbare plastic pop die verzwaard is, zodat hij terugveert nadat hij is neergeslagen.
Kinderen kregen een film te zien waarin een volwassene een Bobo-pop sloeg of schopte. Er bestonden drie varianten van de film die van elkaar verschilden door een andere afloop. In een film werd het gedrag van de volwassene beloond, in een andere variant bestraft en in een derde waren er geen consequenties. Kinderen verdeelt over drie groepen kregen in elke groep één van deze varianten te zien.
Toen de kinderen in dezelfde ruimte als de Bobo-pop werden geplaatst, bleken degenen die hadden gezien dat de agressie werd bestraft, minder agressief te zijn dan degenen die hadden gezien dat de agressie werd beloond of genegeerd.
Toen alle kinderen een beloning aangeboden kregen voor het straffen van de pop door hem te slaan of te schoppen bleek dat alle kinderen het gedrag van de volwassene uit de film hadden aangeleerd. De intensiteit van het schoppen of slaan door het kind, hing wel samen of de variant van de film waarin volwassenen straf kregen of niet.